De mystiek van het Hooglied

Hooglied is een van de kleinste boeken in de Tenach (O.T van de Bijbel) en heeft daar zijn plaats bij de Geschriften, waar het samen met Ruth, Prediker, Klaagliederen en Ester deel uitmaakt van de vijf feestrollen. De Hebreeuwse naam van dit boek betekent letterlijk 'lied der liederen'.

Hooglied kunnen we volledig begrijpen als we het lezen vanuit de cultuur van het oude Nabije Oosten en het plaatsen in de context van het Oude en Nieuwe Testament. Het (ons) primaire liefdesverhaal wordt verteld in Genesis. Deze relatie is een zuivere en volmaakte liefde tussen gelijken onderling en tussen hen en God. Het Nieuwe Testament gebruikt het huwelijk als beeld om de werkelijkheid van onze verlossing te verduidelijken.

Het boek Hooglied speelt zich af in de lente. Dit jaargetijde is de verbindende metafoor voor de zich ontwikkelende liefde van een jong(bruids)paar. De liefde tussen man (Salomo) en vrouw( Sulamith) wordt verheerlijkt in de overtuiging dat echte liefde en trouw van mensen onder elkaar tegelijk een deelnemen is aan de vruchtbare liefde en scheppende trouw van God.

Deze liefdesliederen zijn oorspronkelijk gezongen bij bruiloftsfeesten.

De dialogen

De gedichten vormen een dialoog waarin verscheidene personen aan het woord komen, die in de vertaling met Zij(de beminde of bruid), Hij (de minnaar of bruidegom), Meisjes(de dochters van Jeruzalem) en Broers worden aangeduid. Zij en Hij verlangen naar elkaar, ontmoeten elkaar en in beeldende, sensuele taal bezingen ze de wederzijdse schoonheid  waar de natuur een grote rol in speelt.

Zij zingt ook over datgene wat hun onderlinge liefde bedreigt. Commentaar leveren de Meisjes en de Broers. Maar het middelpunt in deze dialoog is de bruid. Zij heeft het eerste en het laatste woord. De gebeurtenissen, gedachten en gevoelens worden vanuit haar perspectief beschreven.

Een opvallend kenmerk van Hooglied is de herhaling. Zo bedenken de bruid en bruidegom voortdurend namen voor elkaar en kunnen er geen genoeg van krijgen om deze te gebruiken.

Motieven

In  Hooglied is er sprake van zo op het oog verschillende motieven maar deze zijn te herleiden tot één motief;  het motief van het 'zoeken',  het verlangen veroorzaakt door  de 'scheiding' tussen bruid en bruidegom, met de daarbij behorende gevoelens van verlatenheid met  de nadruk op de Afwezigheid. Deze Afwezigheid gaat uiteindelijk op in de Aanwezigheid en  het verlangen vervuld zich in de hereniging.

De refreinen tussen de dialogen accentueren afwisselend periodes van rust en eenheid, euforie en 'de dag die nacht' is geworden.
Belangrijke vraag: als de beminde echt zoveel van haar geliefde hield, zou ze moeten weten waar hij zich bevond. Als ze het niet weet, moet ze het spoor volgen.
De proloog eindigt met twee refreinen, een over een omhelzing en een is een bezwering. 'Zijn linkerarm is onder mijn hoofd en zijn rechter is om mij heen. Ik bezweer je , dochters van Jeruzalem, bij de gazellen en bij de hinden in het veld: wek de liefde niet, maar laat haar sluimeren zolang ze wil'. De woorden 'bij de gazellen en bij de hinden in het veld' zijn te lezen als omschrijvende aanduidingen voor twee namen van God: 'JHWH Sebaot' en 'El Sjaddai';
'De God van het Al' en 'de God van de borsten', Het Geheel overziend en Voorzienend.

Afwezigheid is opgegaan in Aanwezigheid, het verlangen is vervuld in hereniging.

Wie(wat) komt daar uit de woestijn?

Deel twee van het Hooglied is te omschrijven als een bruiloftstekst.
Het refrein 'Wie(wat) komt daar uit de woestijn?' is zowel een uitroep als een vraag.
De stille hereniging, bereikt aan het einde van deel een, wordt ingewisseld voor opgewonden activiteit. De bruid nadert de bruidegom in de bruidsstoet, en hij gaat haar tegemoet om haar te ontvangen. De nacht wordt omgeruild met de dag, de woestijn met de stad en de verschrikking voor vreugde. De reeks beelden heeft als gemeenschappelijk kenmerk: 'omslotenheid' en 'bescherming'.

De beeldspraak vergelijkt het lichaam van de beminde met de fauna, flora en de landschappelijke elementen van het land. In heel Hooglied worden eerst de beelden voor de een gebruikt en later  voor de ander. Het komt voor dat de beelden niet gelijk maar wel gelijksoortig zijn. Bij de herhaling wordt het perspectief wel eens omgedraaid: de minnaar wenkt de beminde om naar buiten te komen, en de beminde wenkt hem naar binnen. Dit laat zien hoe de liefde mensen zo kan veranderen dat men gaat lijken op wie men bemint, doordat men waarden, verlangens, gevoelens en zelfs lichamelijke kenmerken van elkaar overneemt.

Op subtiele wijze wordt door deze dichterlijke techniek tot uitdrukking gebracht hoe de beminde en de minnaar steeds meer één worden.

Staat van verwarring

'Je hebt me van mijn zinnen beroofd. Je  hebt mijn hart(verstand) meegenomen'.

Dan volgt de beeldspraak van de bruid als een tuin, de meest intense uitdrukking van de echtelijke vereniging. Deze beschrijving wijst op het exclusief toebehoren aan de minnaar. Ze is een verzegelde bron. Dit staat symbool voor kuisheid en trouw. Ook Teresa van Avila maakt gebruik van het beeld van de tuin waarin de mens ervaringen van God verwerkt.

In de tuin drie waterbeelden; een bron, een fontein en een waterstroom. Waar eerst het aspect van de 'omslotenheid' en het vergezeld zijn overheersen, ligt nu de klemtoon op de levenskracht van het water, zijn voortdurende vernieuwingen, hoe het naar buiten stroomt.

Het werkwoord 'openen' 'open doen' in tegenstelling tot 'geslotenheid' komt in beide gevallen drie keer voor. Het zoekmotief wordt opnieuw opgenomen. Er is een ontmoeting met de stadswachten ook wel aangeduid als de 'bewakers van de muren'. Zoals het gesloten huis past in de beelden van geslotenheid die de bruid symboliseren, zo horen de bewakers bij de parallelle beelden van bescherming.

De beminde wendt zich tot de dochters van Jeruzalem met de vraag om verder te zoeken naar haar minnaar. Deze belangrijke opdracht roept vragen bij hen op . De beminde geeft antwoord op deze vragen. Ze antwoordt met een beschrijvend loflied op de minnaar. Ze beschrijft beeldend in geuren en kleuren de minnaar. De eenheid tussen minnaar en beminde komt opnieuw naar boven.

De dochters van Jeruzalem zijn geboeid geraakt in het zoeken naar de minnaar. Opnieuw stellen ze vragen, maar nu willen ze weten waar hij naartoe is zodat ze mee kunnen zoeken met de beminde. De beminde komt tot de conclusie dat haar minnaar toch niet weg is. De minnaar is niet afwezig, maar aanwezig in de tuin. Er is geen storing in hun vereniging.

Ze realiseert zich dat hij in haar aanwezig is en zij in hem. De fysieke afwezigheid leidt tot het besef van de sterke liefdesband.

Een nieuw lied

Er is geen sprake van een storing in hun vereniging(hernieuwde relatie). De passages met lofzegging, de motieven van het zoeken en de tuin  keren terug. Het refrein van het elkaar bezitten was niet zomaar een herhaling. Er was een diepere eenheid bereikt.

Het lijkt allemaal op een herhaling maar de nieuwe elementen afkomstig uit de hernieuwde beschouwing van  de beminde maken dat er sprake is van een nieuw lied. De minnaar gaat naar de tuin om te zien hoe de minnaar door de beschouwing in de beminde tot rust komt!

'Kom terug'!  'Keer je om'!
Het laatste gedeelte van Hooglied gaat over deze nieuwe beweging: bewegingen naar buiten en naar binnen, aansporingen tot eenheid en samengaan van de geliefden, een toenemende intimiteit, omhelzingen, bezwering en dan eindelijk een atmosfeer van vereniging en rust.

'Wie komt daar...?
Deze uitroep van de dochters van Jeruzalem kondigt een laatste, belangrijkste boodschap aan:
'Zij heeft haar minnaar gewekt'; een wekken tot een nieuw leven. De beminde heeft in de liefdesomhelzing de minnaar opnieuw geboren laten worden. Zo groot is de kracht van de liefde in Hooglied.

De bezwering - laat de liefde slapen zolang ze wil- krijgt daarmee een diepere betekenis. Het is een waarschuwing voor een kracht die zo groot is dat ze een nieuwe schepping kan voortbrengen.

Summa van het Hooglied

In het Hooglied zelf vinden we de beminde en de minnaar die in de liefde over en tot elkaar spreken. Hun zielen vloeien in elkaar over, als ging het om een verbond. In heel de schepping is de geliefde te zien, en in de geliefde wordt de schepping ontsloten.

Hun wederzijdse ontdekking is tegelijk een ontdekking van de geschapen wereld. Om deze grote kracht van de liefde te laten doordringen, volgt er in de epiloog een laatste woord over de liefde, over het karakter van de liefde waar Hooglied van getuigt. Zoals de liefde nieuw leven schept, zo kan ze ook wedijveren met de vernietigende krachten van dood en dodenrijk. Tegelijk kan de liefde ook de toegang openen naar de transcendente ervaring van JHWH.' Haar vonken zijn bliksemschichten, vlammen van de Heer'.

' De stortvloed van water' verwijst naar alle mogelijke soorten van rampen, hindernissen, kwaad en verdrukking. De liefde kan niet verstikt worden door deze dingen want ze is sterker.
De ervaring van de liefde heeft de beminde zelfbewust gemaakt. Haar wijngaard is een geschenk, dat voor geen prijs te koop is.

Onverwacht slot: De minnaar noemt in een korte dialoog zijn beminde met een nieuwe naam, 'jij die in de tuin verblijft'.

Antwoord:  vlucht weg- en kom hier....
De beminde geeft aan dat dit weggaan een terugkomen is, dat afwezigheid een vorm van aanwezigheid is, dat hun liefde dynamisch is en in voortdurende ontwikkeling en dus niet voorbestemd is om te rusten in een omhelzing.

Thomas van Aquino

Thomas van Aquino, Theoloog, kreeg aan het eind van zijn leven tijdens het opdragen van de mis een religieuze ervaring. Hij werd met stomheid geslagen. Door deze ervaring hield hij op met doceren en dicteren.

Hij las alleen nog voor uit het 'Hooglied'.
Zelfs op zijn sterfbed.
De rest van zijn studies en ervaringen  stelde niets voor vergeleken met deze ervaring van liefde.