19. jun, 2019

Het onmogelijke horen!

In 1578 zit Johannes van het Kruis in Toledo in de kloostergevangenis (van je broeders moet je het maar hebben !). In het donker van de avond hoort hij buiten een jongen zingen, de poëzie is nog van de straat. Dit hoort hij:

Ik sterf van liefde, liefste.
Wat moet ik doen?
Sterven. 

Hierna raakt Johannes meteen in extase. Een flard poëzie zal nooit eerder of later die uitwerking hebben gehad. De gevangene heeft een absoluut gehoor. In de keerrijm van dit  lied, klinkt een oude traditie van de liefdespoëzie door: die van de overdrijving. Het lied klinkt voor wie het horen wil. Er is geen bepaalde geliefde, want de liefde is te groot voor elke geliefde. Het woordspel kan een zware ernst verraden.

Johannes verstond het keerrijm in zijn hoogst religieuze ernst. Wie dat doet moet wel in extase raken, want ook dat is een vorm van sterven. De fraaie cirkelredenering verstond hij in de voor hem enige betekenis: ik sterf van liefde voor God. Wat moet ik doen? Sterven. (En dat kan ook de reactie van God zijn)

Sterven is onsterfelijk worden. En daarmee wordt doodgaan de hoogste vorm van leven. In de religieuze zin is sterven van liefde ook een sterven aan God, aan Gods liefde voor het individu. De jongen zong een mystieke dichter vrij: nog in zijn  cel schreef Johannes een aantal van zijn mystieke gedichten, die hem onsterfelijk hebben gemaakt. Hij zong zonder het te weten wat de gevangene in het klooster altijd had willen horen: het onmogelijke.