11. jun, 2018

De doorbraak

Ik ging dus de tuin in, op de voet gevolgd door Alypius. Want met hem naast me kon ik heel goed mezelf zijn. En had hij mij in die situatie  wel alleen kunnen laten?

We gingen ergens zitten, zo ver mogelijk van het huis af. Het gonsde in mijn geest. Ik was verontwaardigd, geërgerd dat ik maar niet de kant uitging van een verbond met u, mijn God, terwijl heel mijn gebeente schreeuwde dat ik die kant uit moest gaan en dat ook hemelhoog aanprees. Daar ga je niet heen per schip of met een wagen of te voet. Ik hoefde nieteens het stukje te lopen van het huis tot waar we zaten.

Daarheen gaan en daar aankomen is niets anders dan erheen willen gaan, maar dan wel met een krachtig  en volledig willen, niet het draaien en keren, hierheen en daarheen, van een half verlamde wil die worstelt met een deel van zichzelf dat opstaat en een deel dat blijft zitten.

Dit diep nadenken had heel mijn ellende uit zijn verborgen schuilhoeken naar boven gehaald en bij elkaar gezet voor de ogen van mijn hart. Toen stak er een hevige storm op, met een enorme stortbui van tranen.  Om die te laten uitrazen stond ik op. Een plek  waar ik alleen was leek me beter voor dit huilen. 

Ik wierp me plat op de grond, onder een vijgenboom- precies weet ik het niet meer. De stromen braken los uit mijn ogen, een aangenaam offer voor u.  En niet precies met deze woorden, maar wel in deze geest riep ik tot u, telkens opnieuw: 'Hoe lang  nog, Heer? Hoe lang nog zal uw woede blijven voortduren? Zult u ons blijven herinneren aan onze zonden van vroeger? Want die hielden me tegen, dat voelde ik. En ik klaagde maar: 'Hoe lang nog, hoe lang nog? Morgen, altijd maar morgen.

Waarom niet nu? Waarom niet nu meteen een einde maken aan mijn schande?

- Augustinus  bekering deel drie