11. jun, 2018

Oproer van de ziel

Toen, temidden van die grote ruzie met mijn ziel, waar ik met alle kracht aan begonnen was in de kamer van mijn hart, in het huis van mijn binnenste- mijn verwarring stond op mijn gezicht te lezen- ging ik naar Alypius toe en schreeuwde: 'Wat is er toch met ons aan de hand? Wat heeft dit te betekenen, jij hebt het toch ook gehoord? Gewone mensen staan op en bestormen de hemel en wij met al onze geleerdheid zonder hart, wij blijven ons maar ronddraaien in vlees en bloed!

Als zij vooroplopen, schamen wij ons dan om hen achterna te gaan? En schamen we ons niet , als we dat niet doen? Ik weet het niet precies meer, maar iets dergelijks moet ik toch gezegd hebben. Mijn verwarring sleurde me bij hem vandaan, terwijl hij me verbijsterd aankeek zonder een woord uit te brengen. Want mijn stem klonk niet zoals anders en beter nog dan woorden vertelden mijn gezicht, mijn wangen en mijn ogen, mijn kleur en de kalnk van mijn stem wat er met me aan de hand was.

Het huis waar wij logeerden, had een kleine tuin waar wij ook gebruik van konden maken . Het gekrakeel in mijn innerlijk dreef me daarheen, want daar zou niemand zich bemoeien met die heftige ruzie die ik met mezelf was begonnen, en kon ze gewoon uitrazen.

- Augustinus bekering deel twee